Dialoog | Taal en inclusie

Welke resources heeft de erfgoed­gemeenschap om zichzelf verstaanbaar te maken? Welke problemen zouden vanwege een gebrek aan resources kunnen ontstaan?


Stel jij dit soort vragen als je de dialoog met een potentiële erfgoed­gemeenschap aangaat?




Niet alle erfgoed­gemeenschappen gebruiken en begrijpen 'erfgoed­jargon'

Het erfgoeddiscours bevat terminologie waar niet alle erfgoed­gemeenschappen vertrouwd mee zijn. De hoeveelheid resources — kennis die kan worden gebruikt om effectief te communiceren — die erfgoed­gemeenschappen bezitten, verschilt per gemeenschap. Sommige erfgoed­gemeenschappen zijn prima in staat om over hun erfgoed en activiteiten te communiceren en kunnen hiervoor zelfs het jargon van het erfgoedveld gebruiken. Andere erfgoed­gemeenschappen kennen essentiële woorden zoals 'erfgoed' en 'cultuur­participatie' niet en slagen er daarom niet in te communiceren op een manier die door erfgoed­professionals als 'goed' wordt ervaren.

Het erfgoedveld is een talige wereld. Erfgoed­gemeenschappen die bijvoorbeeld in aanmerking willen komen voor subsidies moeten geschreven plannen inleveren. Erfgoed­gemeenschappen die minder resources hebben, staan daarom op achterstand. Zij hebben minder kans om steun te ontvangen dan erfgoed­gemeenschappen die het erfgoeddiscours wel machtig zijn. Bovendien wordt de kans dat een dialoog positieve resultaten oplevert kleiner wanneer de betrokkenen elkaar niet goed begrijpen. Om die reden zouden erfgoed­professionals direct aan het begin van een dialoog met een erfgoed­gemeenschap aandacht moeten hebben voor de resources van de erfgoed­gemeenschap. Waar nodig kunnen erfgoed­professionals uitleg geven over hun eigen taalgebruik. Het doel van dit gedeelte van de dialoog is de communicatie van beide partijen op elkaar af te stemmen, zodat erfgoed­gemeen­schappen en erfgoed­organisaties elkaar kunnen verstaan en een gebrek aan resources positieve uitkomsten niet in de weg hoeft te staan.


Nadruk op regio kan uitsluitend effect hebben

Veel erfgoed­organisaties opereren binnen een specifieke regio en gebruiken die regio om vast te stellen welke erfgoed­gemeenschappen relevant zijn voor hen. Hoewel die regionale focus praktisch is, kan hij ook voor problemen zorgen. Erfgoed­gemeenschappen houden over het algemeen niet op te bestaan buiten de grenzen van de regio, vooral niet wanneer Erfgoed­gemeenschappen als netwerken worden gezien. Een uitgesproken regionale focus kan erfgoed­gemeenschappen die (deels) grensoverschrijdend zijn uitsluiten. Daarnaast zijn er erfgoed­gemeenschappen die zich wel in een bepaalde regio bevinden, maar zich niet met die regio identificeren. Het is belangrijk om in dialoog met dit soort erfgoed­gemeenschappen aandacht te besteden aan de manier waarop zij zich wel of niet tot de regio verhouden.


Inzet van digitale middelen zet bepaalde groepen en individuen op achterstand

Bij Bereikbaarheid werd al opgemerkt dat erfgoed­organisaties niet enkel digitale middelen moeten inzetten om hun eigen bereikbaarheid en herkenbaarheid te vergroten. Hoewel de internet­penetratie in Nederland hoog is, zijn er nog altijd mensen die geen toegang hebben tot internet. Deze mensen behoren vaak tot sociale groepen die over het algemeen minder resources hebben dan andere mensen en daarom vaker het risico lopen te worden uitgesloten. Bovendien mag het hebben van internet nooit worden gezien als een garantie dat een individu in staat is het internet op een effectieve manier te gebruiken. Erfgoed­organisaties moeten zich daarom regelmatig afvragen welke groepen mensen zij mogelijk niet bereiken via hun digitale communicatie en welke middelen ze kunnen inzetten om dat alsnog te doen.


Vind jij dat erfgoed­organisaties naast hun digitale strategie ook moeten inzetten op 'print' en andere fysieke communicatie­middelen?